395px

A Cidade de Amsterdã

Rapalje

De Stad Amsterdam

In de stad Amsterdam, waar de zeelieden lallen
Tot hun nachtmerries schallen over oud Amsterdam
In de stad Amsterdam, waar de zeelieden, dronken
Als een wimpel zo lam, in de dokken gaan ronken
In de stad Amsterdam, waar de zeeman verzuipt
Vol van bier en van gram, als de morgen ontluikt
In de stad Amsterdam, waar de zeeman ontwaakt
Als de warmte weer blaakt over Damrak en Dam

In de stad Amsterdam, waar de zeelieden bikken
Zilv'ren haringen slikken, bij de staart uit de hand
Van de hand in de tand, smijten zij met hun knaken
En ze zullen hem raken als een kat in het want
En ze stinken naar aal, in hun grof blauwe truien
En ze stinken naar uien, daarmee doen zij hun maal
Na hun maal staan zij op om hun broek dicht te knopen
En dan gaan ze weer lopen en het boert in hun krop

In de stad Amsterdam, waar de zeelieden zwieren
En de meiden versieren, buik aan buik, lekker klam
En ze draaien hun wals als een wentelende zon
Op de klank, dun en vals, van een accordeon
En zo rood als een kreeft happen zij naar wat lucht
Tot opeens met een zucht de muziek het begeeft
Met een air van gewicht voeren zij met wat spijt
Dan hun Mokumse meid weer terug in het licht

In de stad Amsterdam waar de zeelieden zuipen
En maar zuipen en maar zuipen en daarop nog eens zuipen
Zuipen op het geluk van een hoer van de Wallen
Op een Hamburgse hoer, nou ja, van een goed stuk
Van een slet die zichzelf in haar deugd heeft geschonken
Voor een gulden of elf en dan zijn ze goed dronken
Met hun wankelende lijven lozen zij dan hun drank
En ze pissen zoals ik jank om de ontrouw der wijven

In de stad Amsterdam
In de stad Amsterdam
In de stad Amsterdam
In de stad Amsterdam

A Cidade de Amsterdã

Na cidade de Amsterdã, onde os marinheiros cantam
Até seus pesadelos ecoam sobre a velha Amsterdã
Na cidade de Amsterdã, onde os marinheiros, bêbados
Como uma bandeira tão mole, nos docas vão roncar
Na cidade de Amsterdã, onde o marinheiro se afoga
Cheio de cerveja e de dor, quando a manhã desponta
Na cidade de Amsterdã, onde o marinheiro acorda
Quando o calor volta a brilhar sobre o Damrak e o Dam

Na cidade de Amsterdã, onde os marinheiros se divertem
Engolem arenques prateados, pela cauda da mão
Da mão na boca, jogam suas grana
E vão acertar como um gato na rede
E eles fedem a enguia, em seus grossos suéteres azuis
E eles fedem a cebola, com isso fazem sua refeição
Depois da refeição, levantam-se pra fechar a calça
E então vão embora e o arroto vem na garganta

Na cidade de Amsterdã, onde os marinheiros dançam
E as garotas encantam, barriga com barriga, bem grudado
E eles giram sua valsa como um sol rodante
Ao som, fino e falso, de um acordeão
E tão vermelhos quanto lagostas, eles respiram um pouco
Até que de repente, com um suspiro, a música acaba
Com um ar de peso, eles levam com um pouco de pesar
Então sua garota de Mokum volta à luz

Na cidade de Amsterdã, onde os marinheiros bebem
E só bebem e só bebem e ainda bebem mais
Bebem pela sorte de uma prostituta do Red Light
Por uma prostituta de Hamburgo, bem, de uma boa peça
De uma vagabunda que se deu a si mesma em sua virtude
Por uma grana ou onze e então estão bem bêbados
Com seus corpos cambaleantes, eles soltam sua bebida
E eles mijam como eu choro pela infidelidade das mulheres

Na cidade de Amsterdã
Na cidade de Amsterdã
Na cidade de Amsterdã
Na cidade de Amsterdã