395px

Balada Sendo Um Poema Contra Franc Contier

Ernst Van Altena

Ballade Zijnde Een Verweerdicht Tegen Franc Contier

In 't rijk vertrek, bekleed met zware zijde
Lag de kanunnik, uitgezakt en vet
En minnares Sidoine aan zijn zijde
Was zacht en teer en lieflijk geblanket
Zij speelden nacht en dag in 't donzen bed
Naakt tegen naakt hun amoureus duet
En dronken wijn en aten fijn banket
Een smalle kier heeft mij een blik gegeven
Op dat taf'reel. En toen werd dit mijn wet
Geen schat zo groot als een gerieflijk leven

Als Franc Contier dat leven in kon drinken
Dan was op staande voet zijn hang voorbij
Naar uiensoep, waarvan een mens gaat stinken
Hij en zijn Helena zijn nu reeds blij
Met knoflookmaal en zuremelkse brij
Het staat ze vrij, maar het is niets voor mij
En als zij willen minnen in de wei
Dan vraag ik u: mag men niet hoger streven
Ik kies een donsbed voor mijn vrijerij;
Geen schat zo groot als een gerieflijk leven

Zij eten gierstebrood in grauwe hompen
En water is hun dagelijkse wijn
Zo'n maal is goed om iemand af te stompen
En zelfs als alle vogels, groot en klein
Die tot aan Babylon te vinden zijn
Mij fluitend steunden met een zoet refrein
Dan nog deed zulk een maal mijn kaken pijn
Laat Franc zijn lief beminnen in de dreven
Alleen een pummel kan daar blij mee zijn;
Geen schat zo groot als een gerieflijk leven

Gij Prins die oordeelt, oordeel naar uw recht;
Maakt het gerief ons leven niet verheven
Als jongen heeft men mij al vaak gezegd
Geen schat zo groot als een gerieflijk leven

Balada Sendo Um Poema Contra Franc Contier

No quarto luxuoso, coberto de seda pesada
Estava o canônico, relaxado e gordo
E a amante Sidoine ao seu lado
Era suave e delicada, um doce encanto
Eles brincavam noite e dia na cama de penas
Nus um contra o outro, seu dueto amoroso
E bebiam vinho e comiam um banquete fino
Uma fresta me deu uma visão
Daquele quadro. E então isso se tornou minha lei
Nenhum tesouro é tão grande quanto uma vida confortável

Se Franc Contier pudesse beber dessa vida
Então sua espera acabaria na hora
Por causa da sopa de cebola, que faz o povo fedorento
Ele e sua Helena já estão felizes
Com um prato de alho e mingau azedo
Eles têm essa liberdade, mas não é pra mim
E se eles quiserem amar no campo
Eu pergunto: não se pode almejar mais alto?
Eu escolho uma cama de penas para meu amor;
Nenhum tesouro é tão grande quanto uma vida confortável

Eles comem pão de milheto em pedaços cinzentos
E água é seu vinho diário
Uma refeição assim é boa para entorpecer alguém
E mesmo que todos os pássaros, grandes e pequenos
Que se encontram até Babilônia
Me apoiassem cantando um doce refrão
Ainda assim, tal refeição me faria doer a mandíbula
Deixe Franc amar sua amada nos caminhos
Apenas um idiota pode ficar feliz com isso;
Nenhum tesouro é tão grande quanto uma vida confortável

Vós, Príncipe que julga, julgue com justiça;
Não eleva a comodidade nossa vida
Quando jovem, já me disseram muitas vezes
Nenhum tesouro é tão grande quanto uma vida confortável

Composição: E. Du Bois / Foco