Hoer Van De Zeven Hemelen
Mantel vol gaten, donker en grauw
Een loense grijns als van de volmaakte rabauw
Hij strompelt vooruit en steunt op zijn stok
Tegen de mensheid koesterend een vreselijk wrok
De wormen sluimeren waar hij is geweest
De lijken smaken hen nog wel het meest
Levensgeesten zijn als de dood voor hem
Verzwinden bij het gekraak van zijn fluisterende stem
De plaeghdraegher verkneukelt zich, dit was zijn laatste wens
Alweer een gehucht gezuiverd, van die walgelijke mens
Plaeghdraegher was hier en heeft hen aanschouwd
Stinkende etter rond kadavers ijskoud
De ratten zijn vertrokken, ze volgen hun heer
In het volgende dorp halen ze meer
Caminho dos Sete Céus
Manto cheio de buracos, escuro e cinza
Um sorriso torto como o de um perfeito canalha
Ele avança mancando e se apoia na bengala
Nutre um ódio terrível pela humanidade, que não se cala
Os vermes dormem onde ele já passou
Os corpos são o que mais eles gostam, isso é o que ficou
As almas vivas são como a morte pra ele
Desaparecem com o rangido da sua voz que é um sussurro cruel
O carrasco se regozija, esse era seu último desejo
Mais uma vila limpa, dessa gente tão desprezível
O carrasco esteve aqui e os observou
Podridão fedida ao redor de cadáveres, tudo congelou
Os ratos foram embora, seguem seu senhor
Na próxima aldeia, vão buscar mais terror.