Job's klacht
Wat is er, God, dat u mij overstelpt met gaven
Wat is er, dat u mij overlaadt met zegeningen?
Waarom moeten anderen worden beproefd
Met armoede, schande, ziekte en angst?
Denkt u dat ik zo'n proef niet zou doorstaan?
Is het daarom dat u mij beveiligt in welvaart?
Waarom zet u mij klem in rijkdom, in weelde
Zodat er geen ruimte meer blijft voor een wens?
Waarom hecht u mij aan u vast met geschenken
En bindt u mij levenslang met verplichtingen?
Zou ik zonder beloning niet trouw zijn aan u?
Moet mijn geloof met bezittingen worden gekocht?
Hoe kan ik nog bidden tot u als mijn redder
Wanneer u mij plaatst in een aards paradijs?
Als niets me ontbreekt, wat blijft er te vragen
Waar leef ik op aan, als ik alles al heb?
Toen ik dacht over wat u hiertoe heeft bewogen
Toen geloofde ik het spel dat u speelt te doorzien
Kwam het ooit voor dat een mens werd gezegend
Zonder dat alles hem weer werd ontnomen?
Noem mij een mens die geluk mocht behouden
Bij wie het geen voorloper werd van verdriet?
Uit het magere jaar zien we uit naar het vette
Ons hart is verheugd door de hoop op wat komt
Als het vette er is en het hart wordt verzadigd
Bekruipt ons de vrees voor een kerend getij
Wat heeft het voor zin dat u geeft en weer afneemt?
Waarom zijn uw gunsten nooit eens en voorgoed?
Zo maakt het bezit me maar bang en wantrouwend
Want die het me gaf, komt straks terug als een dief
Als de mensen mij zien, hoor ik rondom gefluister
Mijn vrienden van vroeger, ik ken ze niet meer
De een zegt: "Die voorspoed is loon voor je deugden
Want zonde baart rampspoed, maar godsvrucht geluk"
De ander: "Geen kunst om in welvaart en weelde
Een vrome te zijn voor het aanschijn van God"
Een derde: "Mijn leven was een en al trouw aan de wet
Waarom moet ik lijden als Job wordt gezegend?"
Ik durf mij bij armen al niet meer vertonen
Want zie, mijn bezit wekt hun afgunst en haat
Mijn voorspoed maakt enkel hun pijn nog maar erger
Ze vragen zich af, wat ze hebben misdaan
Ik hoor al uw raad: "Deel je rijkdommen uit
En geef de behoeftigen van je bezit"
Maar krijg ik in ruil daarvoor eerlijke vriendschap?
Slechts afstand en achting, gekruip en gevlei
Want iedere gift wordt een muur tussen mensen
De gever vereenzaamt maar van wat hij heeft
Omdat u 't bezit onrechtvaardig verdeelde
Moet ik het dan zijn die die fout weer herstelt?
Ik ben ooit verplicht om mijn broeder te hoeden
Maar moet ik nu ook nog gaan toezien op God?
Zo vullen zich dagen en nachten met peinzen
Wat dankbaarheid was wordt ten slotte verwijt
Bezit is een last en de rijkdom beproeving
Ik lijd dit teveel tot u anders beschikt
Queixa de Jó
O que há, Deus, que você me sobrecarrega com presentes
O que há, que você me enche de bênçãos?
Por que outros devem ser testados
Com pobreza, vergonha, doença e medo?
Você acha que eu não suportaria tal prova?
É por isso que você me protege na riqueza?
Por que você me prende na riqueza, no luxo
De modo que não sobra espaço para um desejo?
Por que você me amarra a você com presentes
E me prende por toda a vida com obrigações?
Eu não seria fiel a você sem recompensa?
Meu fé precisa ser comprada com bens?
Como posso ainda orar a você como meu salvador
Quando você me coloca em um paraíso terreno?
Se não me falta nada, o que resta para pedir
Sobre o que eu vivo, se já tenho tudo?
Quando pensei sobre o que o levou a isso
Então acreditei ter entendido o jogo que você joga
Já aconteceu de um homem ser abençoado
Sem que tudo lhe fosse tirado novamente?
Me diga um homem que pôde manter a felicidade
Sem que isso se tornasse um precursor da tristeza?
Do ano magro, esperamos pelo ano farto
Nossos corações se alegram com a esperança do que virá
Quando o farto chega e o coração se sacia
Aparece o medo de uma maré que volta
Qual é o sentido de você dar e depois tirar?
Por que suas bênçãos nunca são de uma vez por todas?
Assim, a posse só me deixa com medo e desconfiança
Pois quem me deu, logo voltará como um ladrão
Quando as pessoas me veem, ouço sussurros ao redor
Meus amigos de antes, não os reconheço mais
Um diz: "Essa prosperidade é recompensa pelas suas virtudes
Pois o pecado gera desgraça, mas a piedade traz felicidade"
O outro: "Não é difícil ser piedoso na presença de Deus
Quando se está na riqueza e no luxo"
Um terceiro: "Minha vida foi toda fiel à lei
Por que eu devo sofrer se Jó é abençoado?"
Eu já não me atrevo a me mostrar entre os pobres
Pois veja, minha posse desperta a inveja e o ódio deles
Minha prosperidade só aumenta sua dor
Eles se perguntam o que fizeram de errado
Eu ouço seu conselho: "Distribua suas riquezas
E dê aos necessitados do que você possui"
Mas recebo em troca uma amizade sincera?
Apenas distância e respeito, rastejamento e bajulação
Pois cada presente se torna um muro entre as pessoas
O doador se isola do que tem
Como você distribuiu a posse de forma injusta
Devo eu ser quem corrige esse erro?
Eu sou obrigado a cuidar do meu irmão
Mas agora também devo vigiar Deus?
Assim, os dias e as noites se enchem de reflexões
O que era gratidão se torna, no fim, reprovação
A posse é um fardo e a riqueza, uma provação
Eu sofro demais até que você decida diferente.