395px

1317

Frank van Pamelen

1317

In dertienhonderdzeventien
Vertelde een minstreel
Bewoonde eens een koningin
Een vorstelijk kasteel

Ze had haar landerijen
Het uitgestrekte veld
Het hele rijk voor zich alleen
Ze was zeer welgesteld

Toch voelde deze koningin
Zich verre van voldaan
Verlaten was haar koninkrijk
En eenzaam haar bestaan

Nog nooit had ze bezoek gehad
Nog nooit een gast ontvangen
Laat staan een schone koning
Die haar brandend van verlangen.....

Maar plotsklaps werd haar koninklijk
Gemijmer ruw verstoord
Drie uiterst koene ridders
Klopten stevig op de poort

"Zeg, weet gij wel hoe laat het is?"
Riep zij uit al haar macht
"Jazeker", klonk het monter
"Het is negen over acht

De honger knaagt, de dorst is groot
De wanhoop is nabij
Dus laat eens zien hoe goed gij zijt
Hoe ongekend gastvrij"

"Ik weet niet wat dat is, gastvrij"
Sprak toen de koningin
"Degene die dat duidelijk kan maken
Mag erin"

"Gastvrij", sprak toen de eerste
"Dat is delen met elkaar
Een glaasje wijn, een stevig maal
Een lekkere sigaar

Maar ook een vorstelijk kasteel
Is heerlijk om te delen
Een stukje van een koninkrijk
Een deel van de juwelen

En als ge echt gastvrij zijt
Neemt ge zelf het kleinste deel"
"Schrijf dat maar op uw buik", riep zij
"Verdwijn van mijn kasteel!"

Geschrokken zei de tweede ridder snel:
"Het woord 'gastvrij'
Wordt in het algemeen
Verkeerd gebezigd, volgens mij

Want vraagt ge om loodvrij
Of suikervrij, mijn koningin
Dan zit er respectievelijk
Geen lood of suiker in

En als belastingvrij betekent:
Zonder te belasten
Dan is gastvrij, als ik zo vrij mag zijn
Dus zonder gasten"

De koningin dacht: Wat een lul
En dus verklaarde zij
De ridders zonder vogels
- In de volksmond vogelvrij

En toen de derde ridder
Met zijn uitleg wou beginnen
Trok zij hem onverwacht
En met enorme kracht naar binnen

Zijn hemd werd van zijn lijf gerukt
Zijn broek werd hem ontnomen
En voordat hij het wist
Was hij al zes keer klaargekomen

"Genade!", hijgde hij vermoeid
Maar zij riep: "Nog een keer!
En als dit niet gastvrij is
Dan weet ik het ook niet meer!"

1317

Em mil trezentos e dezessete
Contou um trovador
Havia uma rainha
Num castelo de esplendor

Ela tinha suas terras
O vasto campo
Todo o reino só pra ela
Era muito rica, então

Mas essa rainha sentia
Que não estava satisfeita
Seu reino estava vazio
E sua vida, uma solidão

Nunca teve visita
Nunca recebeu um convidado
Muito menos um belo rei
Que a deixasse apaixonada.....

Mas de repente seu sonho real
Foi bruscamente interrompido
Três valentes cavaleiros
Bateram forte na porta

"Diga, você sabe que horas são?"
Ela gritou com toda força
"Claro que sei", respondeu alegre
"São nove e oito agora

A fome aperta, a sede é grande
O desespero está por vir
Então mostre como você é boa
Como é hospitaleira aqui"

"Não sei o que é ser hospitaleira"
Disse então a rainha
"Quem puder explicar isso
Pode entrar"

"Hospitaleira", disse o primeiro
"É compartilhar entre si
Um copo de vinho, uma refeição
Um charuto bem gostoso

Mas também um castelo real
É ótimo pra dividir
Um pedaço de um reino
Uma parte das joias

E se você realmente é hospitaleira
Deve ficar com a menor parte"
"Anota isso na sua pele", gritou ela
"Saia do meu castelo!"

Assustado, o segundo cavaleiro disse rápido:
"A palavra 'hospitaleira'
É geralmente usada
De forma errada, na minha opinião

Pois se você pede sem chumbo
Ou sem açúcar, minha rainha
Então não tem chumbo ou açúcar
Na verdade

E se isento de impostos significa:
Sem taxas a pagar
Então ser hospitaleiro, se me permite
É sem convidados"

A rainha pensou: Que baboseira
E assim declarou
Os cavaleiros sem pássaros
- No popular, pássaros livres

E quando o terceiro cavaleiro
Quis começar a explicar
Ela o puxou de repente
E com força enorme pra dentro

A camisa foi rasgada do corpo
As calças foram tiradas
E antes que ele percebesse
Já tinha gozado seis vezes

"Piedade!", ele ofegou cansado
Mas ela gritou: "Mais uma vez!
E se isso não é ser hospitaleira
Então não sei mais o que é!"

Composição: