395px

Duas Pessoas Gentis

Frans Halsema

Twee Aardige Mensen

Het waren twee aardige mensen
Die dachten van niemandal kwaad
Ze dachten alleen aan zichzelve
Zoals dat gewoonlijk dan gaat
Het waren twee aardige mensen
Nog zonder verstand en gezond
Die hielden zo veel van elkaar
Alsof er geen wetboek bestond
De ene die leerde voor dokter
Z'n vader had duiten ervoor
De andere zat voor haar broodje
Als schrijfstertje op een kantoor
De een, die zat rijk in zijn kleren
Droeg vesten en kousen van zij
De ander had bijna geen hemd aan
En toch was ze dapper en blij

Hij wachtte haar op tegen achten
Dan had ze gedaan op kantoor
Ze sprongen elkaar in de armen
En gingen er zingend vandoor
Dan kreeg ze een ruikertje rozen
Een doosje met zeep of met reuk
En eens gaf hij haar als verrassing
Een grappige hoed met een deuk

Zo werd het hoe langer hoe mooier
Ze hadden voor werken geen tijd
Haar penhouder had ze vergeten
En hij was zijn leerboeken kwijt
Toen huurde ze ergens een kamer
Omdat er geen uitkomst meer was
Daar kregen ze samen een kindje
En dat kwam volstrekt niet van pas

De vader riep: aap van een jongen
Ga gauw bij dat schepsel vandaan
En geef haar een bankje van honderd
Dan is er de zaak mee gedaan
Toen bleef ze alleen met haar kindje
Geen mens die haar hielp in de nood
Ze beefde van angst en van schande
En maakte haar kindje toen dood

Het waren twee aardige mensen
Nog zonder verstand en gezond
Die hielden zoveel van elkander
Alsof er geen schande bestond
De een is gevestigd als dokter
En werkt voor een deftig bestaan
De andere zucht in het spinhuis
En daar denkt nou niemand meer aan

Duas Pessoas Gentis

Eram duas pessoas gentis
Que não pensavam em fazer mal a ninguém
Só pensavam nelas mesmas
Como geralmente acontece
Eram duas pessoas gentis
Ainda sem juízo e sãs
Que se amavam tanto
Como se não houvesse lei alguma
Um deles estudava para ser médico
O pai tinha grana pra isso
A outra estava com seu lanche
Como secretária em um escritório
Um, que se vestia bem
Usava coletes e meias de seda
A outra quase não tinha roupa
E mesmo assim era corajosa e feliz

Ele a esperava por volta das oito
Quando ela terminava no escritório
Eles se jogavam nos braços um do outro
E saíam cantando por aí
Então ela ganhava um buquê de rosas
Uma caixa com sabonete ou perfume
E um dia ele a surpreendeu
Com um chapéu engraçado e amassado

Assim tudo foi ficando cada vez mais bonito
Eles não tinham tempo para trabalhar
Ela esqueceu seu porta-canetas
E ele perdeu seus livros de estudo
Então ela alugou um quarto em algum lugar
Porque não havia mais saída
Lá tiveram um filho juntos
E isso não era nada bom

O pai gritou: macaco, moleque
Sai logo desse ser
E dá a ela uma nota de cem
Assim a coisa se resolve
Então ela ficou sozinha com seu filho
Ninguém a ajudou na hora do aperto
Ela tremia de medo e vergonha
E acabou matando seu filho

Eram duas pessoas gentis
Ainda sem juízo e sãs
Que se amavam tanto
Como se não houvesse vergonha
Um se estabeleceu como médico
E trabalha para uma vida digna
A outra suspira na prisão
E agora ninguém mais se lembra dela

Composição: J.H. Speenhoff