exibições de letras 238

De Klop Op de Deur

Gerard Cox

Letra

    (De heer zit in zijn zetel)

    De heer
    Een bittere kou regeert en slaat het land in boeien
    De sneeuw jaagt rond het huis, de oostenwinden loeien
    't Is of een kwade ramp met schrikkelijk gerucht
    Zich haastig hierwaarts spoedt aan d'onheilzwang're lucht
    Een vreeslijk voorgevoel waart rond in al mijn leden
    Hier; en ook hier; en daar. Veel duist're mogelijkheden
    Van wanspoed en ellend' bestormen borst en brein
    Deez' avond dreigt er een ramp en rouw te zijn
    Van kommer en beklag. En 't is mij reeds te moede
    Alsof een onheilsboo zich naar dit huis komt spoeden
    Alsof elk ogenblik de klopper op die poort
    Zijn komst verkonden zal, alsof een ijs'lijk woord
    Een gruwelijk bericht zich in dien klop zal melden

    (er wordt geklopt)

    Wat droomd' ik toch vannacht? Wat dat me op eenmaal kwelde
    En d'adem mij ontnam? Mij docht: een zware vuist
    Vroeg toegang tot mijn deur, een grof en ongekuist
    Verzoek om mijn gehoor, en 'k dorst daarom niet dralen
    En snelde naar de poort. Gaat zich die droom herhalen

    (klop)

    Nog voel ik 't klamme zweet dat op mijn voorhoofd lag
    Toen ik het eerste licht weer aan mijn venster zag

    (klop)

    Maar droom of waak ik nu? Verbeeldde ik mij te horen
    Dat juist de klopper viel? Komaan, geen tijd verloren

    (klop)

    Voorwaar, het is een klop. En een op deze poort
    Wie niet graag wachten wil die maakt gemeenlijk voort
    't Zij dus mijn enig wil, nu ras te onderzoeken
    Wie daar te deure staat en 't raadsel uit zijn doeken
    Te halen

    (klop)

    Weer een klop. Mijn oor bedriegt zich niet
    't Is waar, 'k ben niet meer jong, heb op bepaald gebied
    Niet meer de eendere, van ouds gewende krachten
    En met de ouderdom vermeerderen de klachten
    Maar mijn gehoor is goed, nog even scherp en klaar
    Als in mijn blijde jeugd

    (klop)

    Een tweede klop! Voorwaar
    Wie daar ter poorte staat kan weinig zijn gelegen
    Aan al te lang gewacht, na over koude wegen
    In sneeuw en storm en wind naar hier te zijn geijld
    't Is of hij roept: Maak voort! Daarom dus niet verwijld
    En naar hem toegegaan met overhaaste schreden
    Opdat dit laat bezoek hier ras kan binnentreden

    (klop)

    Geen twijfel meer: wat hier geboden is, is spoed
    Want stel: het is mijn zoon, bemodderd en bebloed
    Weerkerend uit de strijd tegen de heer van Vooren
    Wanhopig of men nog zo laat zijn klop zou horen
    Of 't zou mijn broeder zijn, de koene Diederik
    Die smeken komt om hulp. Dan was elk ogenblik
    Van dralen misselijk; dan zou 'k mij nooit vergeven
    In 't barre uur van nood te traag te zijn gebleven

    (klop)

    Dan mocht men later mij dat schrikkelijk verwijt
    Te laat te zijn geweest, te slordig met de tijd
    Als gloeiend kolenvuur over het hoofd uitstorten
    Dat nooit! Mij zal het nooit aan snelle draadkracht schorten
    Mij is voortvarendheid nooit ijdel toegedicht
    Haast zij dus mijn parool, slagvaardigheid mijn plicht

    (klop)

    Voeten, doet vleugels aan; thans naar de poort gevlogen
    En gij, wijd open nu, helder en waaks, mijn ogen

    (klop)

    Ik kom. Ik hoor uw klop, die dringend luide bee
    Om toegang tot mijn huis, zijn warmte en zijn vree
    Schep moed, o kloppershand, ik doe u welhaast open
    Gij moogt op ras gehoor in deze zalen hopen
    Hier slaat een groot warm hart, dat met u is begaan
    En dat u niet vergeefs dien klopper zo doet slaan
    Ik kom, zo snel ik kan. Ik heb uw stem vernomen
    Al wat ik nog verlang, al wat ik doe is komen

    De rei van Amsterdamse maagden
    O heerlijk uur, wanneer na 't zwerven
    Langs velden, wegen, hoeven, erven
    De reiziger een woning vindt
    Waar hij zijn moeheid af mag leggen
    En 't wedervaren uit mag zeggen
    Als een ter borst gekoesterd kind

    (klop)

    Waar alle koude wordt vergeten
    Waar hem het welkom wordt geheten
    Van 't vrolijk, lustig spelend vuur
    Waar alle zorgen zijn gevloden
    Waar bedden hem tot rusten noden
    O heerlijk, heerlijk, heerlijk uur

    (klop)

    De heer
    Zo is het. En dat uur zal weldra slaan voor hem
    Die daar te kloppen staat en straks gezicht en stem
    En leden krijgen zal en voor mij staan en spreken
    Een levend mens als ik, met deugden en gebreken
    Mij onbekend wellicht, wellicht ook lang vertrouwd
    Maar welkom aan mijn haard en 't knetterend hout

    (klop)

    Maar kom, 't is nu geen tijd voor al te veel gevoel
    Neen, ik verman me opdat ik fluks mijn enig doel
    De poort te openen, ten uitvoer kan gaan leggen
    Wie zal het zijn? Waarom? En wat heeft hij te zeggen
    Mijn hand grijpt naar de klink, mijn oog is reeds gericht
    Op 't hout dat weldra wijken zal voor mijn gezicht
    Mijn lippen vormen reeds de eerste welkomstzinnen
    Welaan, deur, open u. Gij, wie ge ook zijt, treedt binnen

    (Hij opent de poort, er staat niemand)

    Wees welkom in mijn huis, welks dorpel wordt gesleten
    Door vriend en vreemdeling, door boeren en poeten
    Waar spijs en drank en vuur met allen wordt gedeeld
    En waar de diepste wond met liefde wordt geheeld

    (Hij ziet dat er niemand staat)

    Mijn God, hier klopt iets niet. Hier is iets niet in orde
    Hier schijnt een ogenblik met mij gespot te worden
    Want hoe heb ik het nu? Bedriegt mijn oog zich niet
    Nee, 't zegt mij onverbloemd dat het hier niemand ziet
    Geen man, geen vrouw, geen kind, maar niet slechts geen van dezen
    Ook geen onstoffelijk en ook geen dierlijk wezen
    Geen vijand en geen vriend, geen bruin of blank of blond
    Ja, in het kort gezegd en saamgevat: geen hond
    En toch, daar werd geklopt, ik kan mij niet vergissen
    En ik verkeer toch ook niet in het ongewisse
    Dat het geluid van hier, uit deze richting kwam
    Nog sterker: dat het op dit hout zijn aanvang nam
    En daarna werd herhaald en dit vertrek vervulde
    Of hoorde ik niet goed? Dat ware niet te dulden
    Maar ben ik, toen die klop op 't houtwerk was vernomen
    Dan soms niet onverwijld te antwoorden gekomen
    Heb ik soms niet terstond, zo haastig en zo snel
    Als ik verlangen kon van mijn verzwakt gestel
    Mijn avondlijk gepeins en dromen onderboken
    Heb ik mijn hand niet rap ter welkom uitgestoken
    Neen, voor dit ongeval treft mij voorwaar geen schuld
    Deze bezoeker had niet het geringst geduld
    Maar wat verbeeldt men zich! Dat men mij kan schofferen
    Een klop en men is heen! Wat denken zulke heren
    Houdt men mij voor een gek? Houdt men mij voor te goed
    Hoe meer ik eraan denk, te heter kookt mijn bloed

    (De heer zijgt in zijn zetel ineen)

    De rei van Amsterdamse maagden
    Waar werd besmeurder eer
    Dan in deez' edele heer
    Ter aarde ooit vernomen
    Die toch met overhaaste pas
    Ter deure was gekomen

    Waar was oprechter toorn
    Dan in zijn stem te hoorn
    Nooit eerder te Enkhuizen
    Zijn woede blijft als nooit tevoor
    Nog in ons oor
    Nasuizen

    De heer
    Vermoeidheid overvalt opeens mijn oude leden
    Ik deed er 't beste aan, mij naar mijn legerstede
    Die trouwe lieve troost van d'oude dag te spoen
    Hier staat mij op dit uur der nacht niets meer te doen

    (klop)

    Tenzij..., maar 't kan niet zijn. Staat mij daar thans ter deure
    Een tweede onverwacht mirakel te gebeuren
    Of is 't een spookgeluid? Dwaalt hier op d'oude grond
    Omheen mijn hoge burcht een schim, een klopgeest rond

    (klop)

    Het lust mij, onverwijld ter poorte heen te snellen
    En 't raadsel van dien klop in 't klare licht te stellen
    Welnu dan, even rap en haastig als zopas
    Derwaarts met d'eendre spoed die steeds de mijne was

    (klop)

    En met dat kloek beleid dat in mijn lange leven
    Mijn eigenschap, mijn roem, mijn glorie is gebleven

    (klop)

    O 'k hoor het al te wel, 't is het vertrouwd geluid
    Geen lied, geen klokgelui, noch 't lachen van een bruid
    Geen donderslag, geen snik, geen zang van nachtegalen
    Geen handgeklap, geen kik, geen dreunen van heipalen
    Geen hond die blaft, geen voet die tegen houtwerk schopt
    Geen zagen, geen geboor, neen neen, hier wordt geklopt
    In deze zekerheid kan ik mij veilig weten
    En mij ten tweede maal tot opendoen vermeten

    (Hij opent de deur, daar staat de rei van Amsterdamse maagden)

    Hoe nu? Dan toch bezoek in deze winternacht
    En een, naar ik bemerk, van 't vrouwelijk geslacht
    Noem mij terstond uw naam

    Rei
    Jawel heer

    De heer
    Zonder schromen
    En zeg me ook onverwijld waarom gij zijt gekomen
    Doe zonder aarzeling uw kort of lang verhaal
    En ken daarbij geen vrees, geen uitstel, geen gedraal

    Rei
    Welaan dan heer, ik ben

    De heer
    Spreek als een onverdachte
    En trouwe gast van 't huis en wil niet langer wachten

    Rei
    Zeer juist

    De heer
    Want als er iets is dat ik niet verdraag
    Dan is het wel getalm, getreuzel taai en traag

    Rei
    Mijn naam is

    De heer
    Ja, ik haat de omhaal van veel woorden
    Vooral als men een ander juist tot haast aanspoorde
    En dan tot wederwoord slechts bangelijk zwijgen kreeg
    Ik zweer u dat mijn bloed mij steeds naar 't voorhoofd steeg
    Als ik geen antwoord hoorde op het met klem gevraagde

    Rei
    Welnu, ik ben de rei van Amsterdamse maagden

    De heer
    Ik kan geen dralers zien. Ik mijd ze als de pest
    Ik smijt ze net zo lief met modder en met mest
    Als men mij wachten laat, dan krijgt mijn woede vleugels
    Of wordt een driftig paard, dat wegdraaft zonder teugels
    Uit Amsterdam? Maar had dat dan meteen gezegd
    En maagden? Hoor ik 't goed? Bestaan die dan nog echt

    Rei
    't Is slechts een schuilnaam heer, ik ken het volle leven

    De heer
    En "Wat is in een naam" heeft Vondel reeds geschreven

    Rei
    Wij weten onze weg. Wij kennen alle zonden
    En doen ze ook

    De heer
    Bijlo! Ik raak goed opgewonden

    Rei
    Men kent mij overal. Mijn lof is reeds bezongen
    Door menig oude heer en af en toe een jonge
    Mijn naam is Adelheid, en 'k heb u veel te bien
    Ik klop en veeg en zuig en bijt nog bovendien

    De heer
    Het hemelse gerecht heeft zich ten lange leste
    Erbarremd over mij met deze liefste geste
    Het bloed stijgt naar mijn hoofd, vaarwel mijn avondrust
    Nooit werd een ouder man verteerd door groter lust
    Mij zijn in mijn bestaan veel dromen overkomen
    Maar dit hier overtreft mijn allernatste dromen
    't Is of het Neerlands bloed weer stromen gaat door d'aadren
    Mij lust het heel de nacht eens goed met u te vaad'ren
    Op naar het slaapvertrek, recht naar mijn legerstede
    Want ik zeg altijd maar

    Rei
    Stil heer, ik ga al mede

    (er wordt geklopt)

    Maar wordt daar niet geklopt

    De heer
    Neen neen, dat is de wind
    Die aan 't spoken slaat in 't eeuwenoud gebint

    (klop)

    Rei
    Maar 'k hoor daar toch een klop

    De heer
    Gij hebt iets aan uw oren
    Geloof me, wat ik ook nog heel goed kan is horen
    De liefde tot een maagd is ieder aangeboren


    Comentários

    Envie dúvidas, explicações e curiosidades sobre a letra

    0 / 500

    Faça parte  dessa comunidade 

    Tire dúvidas sobre idiomas, interaja com outros fãs de Gerard Cox e vá além da letra da música.

    Conheça o Letras Academy

    Enviar para a central de dúvidas?

    Dúvidas enviadas podem receber respostas de professores e alunos da plataforma.

    Fixe este conteúdo com a aula:

    0 / 500

    Opções de seleção