395px

De trem

Boudewijn De Groot

De treinreis

het fluitje klinkt mijn trein zet zich in beweging
als een vreemd figuur het perron komt opgerend
ik maak een hulpeloos gebaar ik kan niet helpen
hij kijkt me aan met een blik of hij mij kent
hij weet nog net in de laatste wagon te springen
ik pijnig mijn hersens: wie kan dat nou toch zijn
opeens komt alles wat in me beweegt tot stilstand
mijn god ik schrik me dood: 't is Magere Hein

ik wil de trein uit maar we stuiven door de weiden
ik zal moeten springen maar ik wil nog niet dood
maar hij komt me halen dat weet ik vrijwel zeker
mijn ogen lezen: hier trekken in geval van nood
ik voel Magere Hein door het gangpad naderen
hij verkneukelt zich al op zijn voorbedachte vangst
dan komt de trein krijsend op de rails tot stilstand
ik krijg een schok: de naam van het station luidt Angst

niet in staat tot denken besluit ik af te wachten
tot de stationschef de trein het sein van vertrekken geeft
ik voel er niks voor om in Angst verder te leven
te meer daar de klok op het perron geen wijzers heeft
ik heb heel mijn leven gekankerd op het leven
zonder de zin te weten voelde mij tot niets verplicht
maar nu in de duisternis denk ik daar anders over
de trein rijdt door een tunnel wordt het ooit weer licht

dan hoor ik in de verte iemand om mijn kaartje vragen
ik schrik wakker het is de conducteur van deze trein
ik lees de naam die op zijn uniform gespeld zit
zijn achternaam luidt Mager en zijn voornaam Hein
hij tikt aan zijn pet en laat mij in verwarring achter
ik kijk naar buiten: veel gras met hier en daar een koe
ik ben vergeten een belangrijke vraag te stellen:
conducteur waar gaat deze trein eigenlijk naar toe?

De trem

o apito soa, meu trem começa a andar
como uma figura estranha correndo pra estação
faço um gesto de desespero, não posso ajudar
ele me olha com um olhar como se me conhecesse
consegue pular no último vagão a tempo
meus neurônios em pane: quem será esse cara?
de repente, tudo que me move para, em um instante
meu Deus, eu quase morro: é a Morte

quero sair do trem, mas estamos voando pelos campos
vou ter que pular, mas não quero morrer ainda
mas ele vem me buscar, isso eu sei quase certo
meus olhos leem: aqui puxe em caso de emergência
sinto a Morte se aproximando pelo corredor
ele já se diverte com sua presa planejada
aí o trem grita e para nos trilhos
levo um susto: o nome da estação é Medo

incapaz de pensar, decido esperar
até o chefe da estação dar sinal pra partir
não quero viver em Medo, não dá pra aguentar
ainda mais porque o relógio na plataforma não tem ponteiros
a vida toda eu reclamei da vida
sem saber o porquê, me sentia sem obrigações
mas agora, na escuridão, penso diferente
o trem passa por um túnel, será que vai voltar a clarear?

então ouço ao longe alguém pedindo meu bilhete
acordo assutado, é o condutor desse trem
leio o nome que está bordado em seu uniforme
seu sobrenome é Magro e o primeiro nome é Hein
ele bate no boné e me deixa confuso
olho pra fora: muito capim e uma vaca aqui e ali
esqueci de fazer uma pergunta importante:
condutor, pra onde esse trem tá indo afinal?

Composição: Boudewijn de Groot, Freek de Jonge