Het Kerelslied
wij willen van de kerels zingen
zij zijn van kwader aard
zij willen de ruiters dwingen
zij dragen een langen baard
ter kermisse wil hij gaan
hij denkt dat hij is een graaf
daar wil hij het al omme slaan
met zijne verroesten staaf
dan gaat hij drinken van den wijn
stappans is hij versmoord
dan is de wereld 't zijn
stede, land ende poort
met ene zeeuwse knive
zo gaat hij deur zijn tas
hij komt tot zijne wive
al vul bringt hij zijn flas
dan geeft zij hem veel kwader vloeken
als haar de kerel genaakt
dan geeft hij haar van de lijfkoeke
dan is de pays gemaakt
men zal ze slepen en hangen
hun baard is al te lang
zij kunnen het niet ontgangen
zij dochten niet zonder bedwang
A Canção dos Caras
nós queremos cantar sobre os caras
eles são de má índole
eles querem forçar os cavaleiros
eles usam uma barba longa
na festa ele quer ir
acha que é um conde
quer fazer tudo ao seu redor
com seu bastão enferrujado
então ele vai beber do vinho
logo ele está acabado
então o mundo é dele
cidade, país e portão
com uma faca da região
ele vai pela sua bolsa
ele chega até sua mulher
mesmo que traga sua garrafa
então ela o xinga muito
quando o cara a incomoda
então ele dá um tapa nela
aí a briga tá feita
vão arrastá-los e enforcá-los
a barba deles é longa demais
eles não conseguem escapar
dizem que não podem viver sem controle