Twee Lieve Vriendelijke Mensen
Twee lieve, vriendelijke mensen
in een lieve vriendelijke flat,
kregen alles wat zij konden wensen.
Wat is er lieveling, wat heb je, schat?
Er is dat je ogen een meer kunnen tonen.
Er is dat je woorden een lied kunnen zijn,
en dat je gezicht in mijn handen kan wonen,
en dat onze wereld een sprookje kan zijn.
Hoe lang wel mijn liefje, hoe, lang nog mijn schat?
Hoe lang en hoe dikwijls herhaalden we dat?
Twee lieve, vriendelijke mensen
in een lieve vriendelijke flat,
kregen alles wat zij konden wensen.
Wat is er lieveling, wat heb je, schat?
Er is dat w' elkaar soms alleen kunnen gissen,
toch was er een tijd om heel zeker te zijn.
Ze schijnen te eng om elkaar nog te missen
en dan weer te ruim om met tweeën te zijn.
Denk ik aan het leven, ik denk aan de dood.
Dan krimpen ze even en voelen zich groot.
Twee lieve, vriendelijke mensen
in een lieve vriendelijke flat,
kregen alles wat zij konden wensen.
Wat is er lieveling, wat heb je, schat?
Ze zijn elk om beurten een beetje gaan leven
in andere armen om vrijer te zijn.
Ze zijn elk om beurten een beetje gaan sterven
in andere armen om samen te zijn.
Ik maak me soms zorgen, soms heb ik verdriet.
Dan voelen we samen, maar merken het niet.
Twee lieve, vriendelijke mensen
in een lieve vriendelijke flat,
kregen alles wat zij konden wensen.
Wat is er lieveling, wat heb je, schat?
Misschien nog te jong om al rustig te leven,
misschien al te oud om onrustig te zijn,
en nu eens te vlug om elkaar te beleven,
en dan weer te traag om verliefden te zijn.
Ik hou van je handen, ik hou van je mond;
ze dommelen in want hun wereld is rond.
Twee lieve, vriendelijke mensen
in een lieve vriendelijke flat,
kregen alles wat zij konden wensen.
Wat is er lieveling, wat heb je, schat?
Dois Doces e Gentis Pessoas
Dois doces, gentis pessoas
numa doce e gentil casa,
conseguiram tudo que podiam desejar.
O que há, meu bem, o que você tem, amor?
Há algo que seus olhos podem mostrar.
Há algo que suas palavras podem ser uma canção,
e que seu rosto pode morar em minhas mãos,
e que nosso mundo pode ser um conto de fadas.
Quanto tempo, meu amor, quanto, quanto mais, meu bem?
Quantas vezes repetimos isso?
Dois doces, gentis pessoas
numa doce e gentil casa,
conseguiram tudo que podiam desejar.
O que há, meu bem, o que você tem, amor?
Há momentos em que só podemos adivinhar,
mas houve um tempo para ter certeza.
Eles parecem tão assustados para se perderem
mas também tão livres para estarem juntos.
Quando penso na vida, penso na morte.
Então eles encolhem um pouco e se sentem grandes.
Dois doces, gentis pessoas
numa doce e gentil casa,
conseguiram tudo que podiam desejar.
O que há, meu bem, o que você tem, amor?
Eles foram vivendo um pouco de cada vez
em outros braços para serem mais livres.
Eles foram morrendo um pouco de cada vez
em outros braços para estarem juntos.
Às vezes me preocupo, às vezes fico triste.
Então nos sentimos juntos, mas não percebemos.
Dois doces, gentis pessoas
numa doce e gentil casa,
conseguiram tudo que podiam desejar.
O que há, meu bem, o que você tem, amor?
Talvez ainda sejam jovens demais para viver em paz,
talvez já sejam velhos demais para estarem inquietos,
e agora rápidos demais para viverem um ao lado do outro,
e depois lentos demais para serem apaixonados.
Eu amo suas mãos, eu amo sua boca;
elas adormecem porque seu mundo é redondo.
Dois doces, gentis pessoas
numa doce e gentil casa,
conseguiram tudo que podiam desejar.
O que há, meu bem, o que você tem, amor?