De laatste hooiberg
Daar ligt het dorpje dat ik zo goed ken
Waar ik m'n jeugd sleet, op school ben gegaan
Misschien wel bepalend voor wat ik nu ben
En waar ik nog knikkerde, tolde en schaatste
Rondom die hooiberg daar, misschien wel de laatste
Waar ik voor 't eerst van mijn leven echt vrijde
En spelletjes deed met de jongens en meiden
Die wel niet mochten, maar erg spannend waren
En die nog altijd bestaan
Ik zie weer de zondagen, saai en gedempt
Wat scheen te leven, was 't vee en de zon
Zondagen waren voor inkeer bestemd
Binnen vervelen, je zondagse broek aan
Minimaal een keer per dag naar de kerk gaan
De galmende dreiging van duivel en zonde
En dat we met een been al in het graf stonden
Drie cent collecte en twee pepermuntjes
Wekelijks zonder pardon
Ik zie nog m'n hondje, alleen maar van mij
Hoe ie vaak meeliep een eindje op weg
Wat toen nog kon, want het dorp was haast vrij
Van brommers en auto's en ik hoor nog m'n noodkreet
Toen men hem vlak voor m'n ogen morsdood reed
Ik was niet te troosten, er viel niet te praten
Ik was van God en de mensen verlaten
Kon niet begrijpen dat iemand me toeriep
"Kom, er zijn meer honden zeg"
Daar ligt het dorpje dat ik haast niet herken
Vriendjes van vroeger, waar zouden ze zijn
Toen ik erdoor reed en uitgestapt ben
Zag ik de bunkers die 't zonlicht weerkaatsten
En ook nog die hooiberg daar, waarschijnlijk de laatste
A Última Fenoa
Lá está a cidade que eu conheço tão bem
Onde passei minha infância, fui pra escola também
Talvez tenha moldado quem eu sou hoje em dia
E onde eu ainda jogava, rodava e patinava
Ao redor daquela fenoa, talvez a última
Onde pela primeira vez eu realmente amei
E brincava com os meninos e meninas
Que não podiam, mas eram bem emocionantes
E que ainda existem
Vejo de novo os domingos, chatos e apagados
O que parecia viver, era o gado e o sol
Domingos eram pra reflexão e descanso
Dentro de casa, entediado, de roupa de domingo
Pelo menos uma vez por dia na igreja
A ameaça ecoante do diabo e do pecado
E que já estávamos com um pé na cova
Três centavos de coleta e dois caramelos
Sem dó, toda semana
Vejo ainda meu cachorrinho, só meu
Como ele costumava me acompanhar um pedaço do caminho
O que era possível, pois a cidade era quase livre
De motos e carros e ainda ouço meu grito
Quando o atropelaram bem na minha frente
Eu não conseguia ser consolado, não tinha como falar
Estava abandonado por Deus e pelas pessoas
Não conseguia entender que alguém me chamou
"Vem, tem mais cachorros, ué"
Lá está a cidade que eu mal reconheço
Amigos de infância, onde estarão agora?
Quando passei por lá e saí do carro
Vi os bunkers que refletiam a luz do sol
E também aquela fenoa, provavelmente a última