Samen delen
S: er zijn zoveel kleine kinderen
in verre vreemde landen
ze staan daar langs de weg
ze staan met lege handen
ze hebben honger
G: maar niemand geeft ze eten
niemand geeft ze water
ze krijgen buikpijn van de honger
en ze worden heel erg mager
dat kan toch niet
G: wij hebben alles wat we willen
en zij hebben niets
S: dat kan toch niet
refrein S+G:
we moeten samen delen, samen delen
alle werelddelen moeten samen delen
samen delen, samen delen
alles wat we hebben samen delen
G: ik heb een huis om in te wonen
ik heb een bed om in te slapen
ik haal mijn broodjes bij de bakker
ik koop mijn vlees bij de slager
ik heb geen honger
S: maar er zijn nog zoveel kinderen
zonder speelgoed om te spelen
zonder bed om in te slapen
zonder brood om op te eten
en dat kan toch niet
G: wij hebben alles wat we willen
en zijn hebben niets
S: dat kan toch niet
refrein 2x S+G+K
Dividir Juntos
S: há tantas crianças pequenas
em países distantes
elas estão ali na estrada
com as mãos vazias
estão com fome
G: mas ninguém dá comida pra elas
ninguém dá água
elas sentem dor de barriga de tanta fome
e ficam muito magrinhas
isso não pode ser
G: nós temos tudo que queremos
e eles não têm nada
S: isso não pode ser
refrão S+G:
precisamos dividir juntos, dividir juntos
todos os continentes precisam dividir juntos
dividir juntos, dividir juntos
tudo que temos, dividir juntos
G: eu tenho uma casa pra morar
eu tenho uma cama pra dormir
compro meus pães na padaria
compro minha carne no açougue
eu não estou com fome
S: mas ainda há tantas crianças
sem brinquedos pra brincar
sem cama pra dormir
sem pão pra comer
e isso não pode ser
G: nós temos tudo que queremos
e eles não têm nada
S: isso não pode ser
refrão 2x S+G+K