395px

Esse Povo

Herman Van Veen

Dit slag volk

Eerst heb je de oude man,
een pimpelpaarse neus,
versleten en poreus,
die niets onthouden kan.
Hij, die zich zo bezet en zo gezopen heeft,
dat hij zichzelf vergat en als een ander leeft.
Hij, meneer, hij is half gaar, meneer,
hij denkt koning te zijn,
maar zuipt elke nacht weer de zelfde slechte wijn, meneer,
en 's ochtends
vindt men hem, paars-kaars wit,
stijf als een marmeren zerk,
terwijl hij ronkend pit.
Daarna, meneer, scheel van de drank,
hikt hij de Here dank.
Begrijp me wel, meneer, dat bij dit slag volk, meneer,
praat men niet,
men bidt...

En dan de andere man, hij is geen kam gewend,
heeft klitten in zijn haar,
maakt graag een ruim gebaar,
dat voos is als de motten in het weggeschonken hemd.
Hij, meneer, hij trouwde Liselotte,
een schatje uit de stad, nou ja, een andere stad,
en u weet niet waar,
zij, zij heeft zaakjes daar,
die doet ze, klein koket, het hoedje scheef gezet
in kleine cabriolet,
ze doet zich duur voor meneer,
maar als je geen centen hebt, meneer,
koop dan geen portemonnee, meneer.
Begrijp me goed, meneer, bij dit slag volk meneer,
praat men niet, denkt men niet, doet men niet, meneer,
men nept...

En dan, en dan is er de rest, de moeder die niets zegt,
althans niets van belang, en dan ontstellend echt,
de puriteinse smoel van vader op 't behang,
z'n snor omlijst en koel, hij ziet op 't gehoor
z'n soep slikkende troep en dat gaat dan van...

En dan, de hele oude vrouw,
ze beeft meer dan ze leeft,
men, meneer, men wacht tot ze 't begeeft
omdat ze duiten heeft,
men luistert niet zo nauw naar wat haar hand vertelt.
Begrijp me wel, meneer, dat bij dit slag volk meneer,
praat men niet, doet men niet, denkt men niet, meneer,
men telt...

En dan, en dan, en dan is er Frieda,
ze is zo mooi, zo teer, ze houdt van mij, meneer,
net als ik hou van haar, zelfs zo dat wij elkaar
een huis hebben gebouwd dat heel veel ramen,
maar heel weinig muren heeft, meneer,
waar 't goed is dat je leeft, meneer,
en valt 't nog te bezien, meneer,
dan is het toch misschien...

Maar God,
meneer, de anderen, meneer,
de anderen willen niet, meneer, de anderen zeggen,
ze is te mooi voor jou,
jij bent
een vuile,
kattenmepper,
een kattenmepper, meneer...

en ik, meneer, ik wilde nooit een kat, meneer,
nou ja, niet sinds ik haar ken of, of 't was
of 't was zo lang terug al, dat ik 't al lang vergat, meneer,
of 't was een zieke kat, meneer.
De anderen
ze willen 't niet.

Soms als ze mij weer ziet,
per ongeluk, expres,
met vochtig, trouwe blik,
verteld ze weg te gaan,
met mij van huis vandaan,
en dan, voor een ogenblik,
één ogenblik, ach, dan geloof ik haar, meneer,
dan geloof ik haar,
maar u weet niet waar, meneer,
bij dit slag volk,
bij dit slag volk, gaat men niet weg meneer,
men gaat niet weg, meneer...

maar 't is al laat, meneer,
ik moet nu terug naar huis

Esse Povo

Primeiro tem o velho,
um nariz roxo e manchado,
acabado e desgastado,
que nada consegue lembrar.
Ele, que se embriagou tanto e se perdeu,
que esqueceu de si mesmo e vive como um outro.
Ele, senhor, ele está meio acabado, senhor,
acha que é um rei,
mas toda noite bebe o mesmo vinho ruim, senhor,
e de manhã
o encontram, pálido como uma vela,
rigido como uma lápide,
roncando em seu sono.
Depois, senhor, tonto de tanto beber,
agradece a Deus.
Entenda bem, senhor, que com esse povo, senhor,
não se fala,
se reza...

E então tem o outro homem, que não é de se impressionar,
tem nós emaranhados no cabelo,
faz gestos largos,
que são vazios como as traças no paletó rasgado.
Ele, senhor, casou com Liselotte,
um doce da cidade, bem, de outra cidade,
e você não sabe onde,
elas têm seus esquemas,
ela se faz de difícil, com o chapéu torto
num carrinho conversível,
se faz de rica, senhor,
mas se você não tem grana, senhor,
não compre carteira, senhor.
Entenda bem, senhor, que com esse povo, senhor,
não se fala, não se pensa, não se faz, senhor,
se finge...

E então, e então tem o resto, a mãe que não diz nada,
a não ser o que não importa, e então é realmente chocante,
a cara puritana do pai na parede,
sua barba bem aparada e fria, ele observa
sua turma que come sopa e isso vai...

E então, a velha senhora,
ele treme mais do que vive,
se espera, senhor, se espera até que ela se vá
porque ela tem uns trocados,
ninguém escuta o que sua mão diz.
Entenda bem, senhor, que com esse povo, senhor,
não se fala, não se faz, não se pensa, senhor,
se conta...

E então, e então, e então tem a Frieda,
ele é tão linda, tão delicada, ela me ama, senhor,
assim como eu a amo, tanto que nós
construímos uma casa que tem muitas janelas,
mas tem poucas paredes, senhor,
onde é bom viver, senhor,
e se ainda vale a pena, senhor,
quem sabe...

Mas Deus,
senhor, os outros, senhor,
os outros não querem, senhor, os outros dizem,
e ela é bonita demais pra você,
você é
um porco,
um maltrapilho,
um maltrapilho, senhor...

e eu, senhor, eu nunca quis um gato, senhor,
bem, não desde que a conheci ou, ou foi
ou foi há tanto tempo que eu já esqueci, senhor,
ou era um gato doente, senhor.
Os outros
não querem isso.

Às vezes quando ela me vê de novo,
sem querer, de propósito,
com um olhar molhado e fiel,
e ela diz pra eu ir embora,
me levar pra longe de casa,
e então, por um momento,
um momento, ah, então eu acredito nela, senhor,
eu acredito nela,
mas você não sabe onde, senhor,
com esse povo,
com esse povo, não se vai, senhor,
não se vai, senhor...

mas já está tarde, senhor,
eu preciso voltar pra casa.